Bollen

Bollen hebben enkele onderscheidende eigenschappen waarmee je ze kan onderscheiden van knollen. De meeste bollen, zoals narcissen, tulpen en hyacinten, hebben een papierachtig vel aan de buitenkant, zoals bij een ui. Dit velletje beschermt de bol tegen uitdrogen. Sommige bollen, zoals de lelie, hebben dat velletje niet zodat ze sneller kunnen uitdrogen of beschadigen.

  • Bollen zijn vrij rond met een spits toelopende punt. Daar groeien de bladeren en bloemen uit.
  • Aan de onderkant zijn de bollen plat. Daar groeien de wortels uit.
  • Nieuwe bollen, klisters genaamd, worden vanuit de onderkant gevormd en groeien uit tot volwaardige nieuwe bollen.
  • Bollen zijn opgebouwd uit ringen, rokken of schubben genaamd. Dat zijn omgebouwde bladeren waar voedsel in wordt opgeslagen.

Knollen

Er zijn verschillende soorten knollen:

  • Knollen die eruit zien als bollen. Met een papierachtig vel en een duidelijke boven- en onderkant. Maar als je ze open snijdt, zie je dat de knol niet in rokken is opgebouwd maar uit één geheel bestaat. Aan het einde van het groeiseizoen worden 1 of meerdere nieuwe knollen gevormd die de oude knol vervangen. Voorbeelden van deze knollen zijn de krokus, freesia, gladiool en crocosmia.
  • Dan zijn er knollen zonder papierachtig vel en zonder platte kant waar de wortels uitgroeien. Deze knollen hebben verschillende groeipunten. Bij sommige van deze knollen, zoals begonia’s, zitten de groeipunten aan de bovenkant. Bij andere knollen, zoals bijvoorbeeld aardappels en anemonen, is geen duidelijke boven of onderkant te zien. Als je twijfelt over wat de boven- of onderkant is, kan je ze het beste op hun kant planten en het ze zelf laten bepalen. Deze knollen vermeerderen zich over het algemeen niet. Ze worden alleen steeds groter en ontwikkelen meer groeipunten.
  • Ten slotte zijn er de planten met knolachtige wortels, zoals de dahlia, daglelie en zoete aardappels. Die knolachtige wortels zijn veranderde, vergrote en gespecialiseerde wortels die voedsel opslaan. De knolachtige wortels komen samen bij de onderkant van de stengel. Een stuk knolachtige wortel kan niet tot een nieuwe plant uitgroeien.